Verduurzamen bereikbaar voor iedereen

We weten al jaren dat het belangrijk is om te verduurzamen, met het doel om het milieu te sparen en de klimaatverandering tegen te gaan. Bijvoorbeeld energiegebruik verlagen, je huis isoleren, zonnepanelen op je dak, cv-ketel vervangen door een warmtepomp of aansluiting op een warmtenet, tochtstrips aanbrengen. Maar niet iedereen kan de vaak dure maatregelen betalen.

Er is dan ook de laatste jaren een toename van initiatieven waarbij een wijkegerichte aanpak, dichtbij de inwoners, successen opleveren voor mensen met weinig geld. Zo zijn er bij tenminste 24 gemeenten zg. fixbrigades aktief die in totaal bij meer dan 4500 huishoudens kosteloos energiebesparende ingrepen in woningen hebben uitgevoerd: tochtstrips, radiatorfolie, lampen vervangen e.d. Dat levert energiebesparing op, maar soms bevordert het ook een gezonde leefomgeving voor bijvoorbeeld bewoners met luchtwegproblemen. Fixbrigades zijn gericht op kwetsbare huishoudens, en werken met vrijwilligers, mbo-stageairs, statushouders met technische kennis en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Een ander voorbeeld is de Arnhemse wijk Geitenkamp, een sociaal-economisch gezien kwetsbare wijk. De huizen zijn voor het merendeel sociale huurwoningen van slechte kwaliteit. De gemeente bestrijdt de energiearmoede onder bewoners met een wijkgerichte aanpak. Door te werken met een buurtklusbedrijf, opgericht door een lokale ondernemer, zorgt de gemeente ervoor, dat er goed contact is met de bewoners en dat ook de meest kwetsbare mensen in de wijk worden bereikt. De klussers kunnen naast het uitvoeren van energiebesparende maatregelen ook signaleren of er meer speelt bij een huishouden waar ze achter de voordeur komen. Ze kunnen waar nodig mensen doorverwijzen naar de goede plek om hulp te krijgen. Omdat er bij het klusbedrijf ook mensen werken die in de wijk wonen, hebben ze een groot bereik in de wijk, en draagt het bedrijf bij aan de gemeenschapsontwikkeling. Wellicht ook een idee voor ons dorp?

De staat van de natuur

Ik lees al jaren dat het met de staat van de natuur in Nederland slecht gesteld is. Er wordt wel wat aan gedaan, maar het is niet genoeg.

In de 11e Voortgangsrapportage Natuur, die het ministerie van Landbouw eind vorig jaar heeft gepubliceerd, valt te lezen, dat rijk, provincies en vele partners, onder wie agrariërs, op allerlei manieren werken aan ontwikkeling en herstel van onze natuur en biodiversiteit. Er worden nieuwe natuurgebieden ingericht en ook het agrarisch natuur- en landschapsbeheer krijgt meer aandacht. En zoals het zo vaak gaat bij overheidsinitiatieven: er worden doelen gesteld en die worden dan niet gehaald. De doelstelling in 2011 was om vóór het einde van 2027 minimaal 80.000 hectare nieuwe natuur in te richten. Daarvan is nu 53.000 hectare gerealiseerd, ongeveer tweederde dus. Ook de kwaliteit van bestaande natuur is nog steeds onvoldoende. Dat is nadelig voor het leefgebied van vogels en andere diersoorten.

Probleem is ook, dat de natuur in ons land nogal versnipperd is. In een commentaar op de rapportage laat directeur van Natuurmonumenten, Jeroen de Koe weten: “Juist door natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden ontstaat een robuust systeem, dat beter bestand is tegen stikstof, verdroging en klimaatverandering. Grotere natuur kan meer verstoring opvangen en biedt soorten ruimte om te herstellen”.

De rapportage van het ministerie bevat gelukkig ook goed nieuws. Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer blijft groeien. Steeds meer boeren zetten zich actief in voor weidevogels, biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaatmaatregelen op landbouwgrond. Ook in ons dorp wordt daar aan gewerkt, zag ik. Aan de Horstlaan, een kwartier fietsen van Voorschoten, ligt tuinderij Wijdehorst. De grond, 7 hectare, is aangekocht door Land van Ons en daar is een bioboerderij gevestigd. Verderop in deze krant vind je daarover meer informatie in een artikel van de Duurzaamheidstafel. En op 4 maart een film in het Cultureel Centrum over “het nieuwe boeren”.

Houtstook is ongezond

Een bekende van mij wees mij erop, dat ons dorp veel woningen uit de jaren zeventig en tachtig heeft met een open haard. Die woningen hebben ook centrale verwarming, maar de open haard is extra. In deze tijd van het jaar is het gezellig om in je woonkamer een houtvuur te horen knetteren.

Maar houtstook heeft ook schadelijke effecten, niet alleen in de woonkamer maar ook elders in de wijk. Bij houtstook komen fijnstofdeeltjes vrij, die de luchtkwaliteit verslechteren, zowel binnenshuis als buiten. Het is schadelijk voor iedereen, maar vooral voor mensen met longklachten. Ook voor kinderen, want hun longen moeten zich nog ontwikkelen. Het vergroot de kans op hart- en vaatziekten, longkanker, astma en COPD. Mensen zonder longklachten kunnen door deze luchtvervuiling last krijgen van hoestaanvallen, benauwdheid en kortademigheid. Er zijn meer oorzaken van het fijnstof in de lucht, maar 23% daarvan komt van de houtstook. Dat is meer dan wat het wegverkeer aan fijnstof uitstoot.

Het is dus gezonder om de houtstook in de open haard terug te dringen of helemaal af te schaffen. Wij hebben thuis ook een open haard, maar daar stoken wij geen hout in. Toen wij ons huidige huis betrokken hebben wij een haard laten installeren met namaak houtblokken, die is aangesloten op het gas. Wij vonden dat toen een goed alternatief, maar binnen een paar jaar gaan we van het gas af, dus een gashaard kan niet meer. Wij gebruiken die open haard trouwens al jaren niet meer. In de winter gebruiken we alleen de centrale verwarming, dat is voldoende. Eigenlijk is de open haard een overblijfsel uit lang vervlogen tijden. Vroeger was het normaal om je te verwarmen bij houtvuur, er was geen alternatief. Tegenwoordig kunnen we ons electrisch verwarmen, met schone energie. Dat moet de toekomst worden. Bovendien moeten we zuinig zijn op bomen in plaats van ze te verbranden.

Vijf jaar verder

Dit is mijn vijftigste column voor de lokale krant. Aanleiding voor mij om eens terug en ook vooruit te kijken. Nu het jaar ten einde loopt is het daar ook de goede tijd voor.

De afgelopen vijf jaren heb ik in mijn columns over uiteenlopende onderwerpen geschreven die alle te maken hebben met het thema duurzaamheid. Wat mij, als ik terugkijk, vooral opvalt is hoe weinig wij leven in het besef van onze afhankelijkheid van de aarde. Wij leven van wat de aarde ons biedt. De aarde levert ons voedsel, water, lucht en mooie natuur. Maar de laatste eeuwen is het profiteren van de aarde in een stroomversnelling geraakt. We exploiteren de aarde, we maken alles in steeds hoger tempo op, we laten ons afval achter, in de vorm van CO2-uitstoot en plastic, zonder ons te bekommeren hoe lang dit zo kan doorgaan.

Eerder heb ik wel eens aandacht besteed aan Earth Overshoot Day. Dat is de datum waarop de vraag van de wereldbevolking naar natuurlijke hulpbonnen groter is dan wat de aarde kan opbrengen. Dit jaar viel die dag op 24 juli. We leven met zijn allen dus op te grote voet. Daarbij is er ook nog een groot verschil tussen rijke en arme landen.

Ik las ooit van iemand die zich bij deze situatie leek neer te leggen, en geen heil zag in pogingen om het tij te keren. “Wij moeten leren uitsterven”, was het advies. Ik wil daar niet aan. Mijn advies: wij moeten leren beter met onze natuur, onze leefwereld, onze aarde om te gaan. Meer oog hebben voor investeren in de toekomst en in de generaties die na ons komen. De overheid, het bedrijfsleven, organisaties en instituties en wij allemaal als consumenten en producenten doen er goed aan daaraan bij te dragen. Als wij dat samen doen komt het goed.