
We hebben in Nederland een nijpend woningtekort, een te hoge uitstoot van CO2, schadelijke effecten van de landbouw op het milieu, slechte waterkwaliteit, om maar enkele grote problemen te noemen. Al vele jaren werken achtereenvolgende kabinetten aan de oplossing van deze problemen, maar de problemen duren voort. Hoe komt dat?
De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft zich hierover gebogen in zijn recent verschenen rapport “Falen en opstaan”. De raad gaat uit van de waarneming, dat in ons bestel drie spelers verantwoordelijkheid dragen voor de collectieve belangen in de leefomgeving: overheid, bedrijfsleven en “gemeenschappen”, d.w.z. burgers die zich in georganiseerd verband inzetten voor een bepaald doel, bijvoorbeeld wooncoöperaties, coöperaties op het gebied van de landbouw, of buurtbussen.
In het samenspel tussen die drie spelers is de afgelopen decennia het zwaartepunt komen te liggen bij de overheid en het bedrijfsleven. De overheid is steeds bedrijfsmatiger gaan werken. Daarbij kwam de nadruk te liggen op het belang van een goed draaiende economie, groei van het bbp en de koopkrachtcijfers. Dat was goed voor de bedrijvigheid en de welvaart, maar schadelijk voor milieu, water-, lucht- en bodemkwaliteit. “Door het eenzijdig samenspel tussen overheid en bedrijfsleven zijn de collectieve belangen in de leefomgeving verwaarloosd”, aldus de Rli.
Overheid, bedrijfsleven en gemeenschappen hebben verschillende waarden over wat zij belangrijk vinden voor de leefomgeving. Zij zouden met elkaar in gesprek moeten gaan over die waarden en waarom zij daar belang aan hechten. Het is belangrijk dat inzichtelijk wordt wat de consequenties zijn van het benadrukken van de ene waarde ten opzichte van de andere, en hoe de keuze van de ene waarde ten koste kan gaan van de andere. Niet om overeenstemming te bereiken, maar om informatie en begrip over elkaars waarden en belangen te delen, aldus de Rli. Dat komt de leefomgeving ten goede.