Betere bescherming van natuurgebieden dringend nodig

In Natura 2000-gebieden worden dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Alle EU-lidstaten hebben Natura 2000-gebieden aangewezen. In Nederland zijn dat er 162. 

Die gebieden zijn geselecteerd op grond van de aanwezigheid van planten- en diersoorten die bescherming nodig hebben. Belangrijk hierin is de bescherming tegen teveel stikstof. Stikstofoxiden worden voornamelijk uitgestoten door verkeer en industrie, en ammoniak komt grotendeels vrij door veeteelt. Die stikstofverbindingen verspreiden zich door de lucht en komen terecht in de bodem van natuurgebieden. Plantensoorten die niet tegen teveel stikstof kunnen verdwijnen, en daarmee ook de dieren die daarvan leven. En zo neemt de biodiversiteit af.

Net als de andere europese landen moet ook Nederland zich inspannen om de kwaliteit van natuurgebieden op peil te brengen en te houden. Het zijn vooral de provincies en ook Rijkswaterstaat die hier een taak in hebben. De provincies hebben natuurdoelanalyses opgesteld waarin zij per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied laten zien of de natuurdoelen met de huidige maatregelen worden gehaald, of dat er meer nodig is voor natuurherstel. De Ecologische Autoriteit, een instelling van de minister voor Natuur en Stikstof, toetst of de provincies voor hun natuurbeschermingsplannen de juiste ecologische informatie gebruiken.

Deze autoriteit heeft vorige maand een advies uitgebracht over de stand van zaken. Hij heeft 70 van de 130 natuurdoelanalyses van de provincies bekeken en geconcludeerd dat het nog niet goed gaat. Weliswaar is de afgelopen jaren het nodige gedaan aan natuurbeheer in de natuurgebieden, maar het is niet genoeg om de natuurdoelen te halen. Veel Natura 2000-gebieden zijn verslechterd. Ook heeft Nederland sinds de natuur beschermd is te weinig gedaan om goed in beeld te krijgen hoe de natuur ervoor staat. Zoals een woordvoerder het verwoordde: “Nederland heeft jarenlang zijn verantwoordelijkheid niet genomen voor onze eigen natuur, die we nota bene zelf hebben aangewezen voor bescherming. We hebben ons als land geen goed rentmeester betoond. We zullen vanaf nu alle zeilen moeten bijzetten om de natuurdoelen alsnog te kunnen halen. Dan ontstaat ook weer ruimte om vergunningen af te geven voor economische ontwikkelingen”. De belangrijkste oplossingen voor natuurherstel zijn maatregelen die de stikstofbelasting in de gebieden omlaag brengen en de waterhuishouding verbeteren. De analyses laten zien dat daarvoor ook naar de omgeving gekeken moet worden.

Kan ik er wat aan doen?

Lezers van deze column zeggen mij wel eens: je schrijft regelmatig over wat er mis gaat, met de CO2-uitstoot, de waterkwaliteit,  de biodiversiteit, de verzuring van de oceanen, de uitputting van onze grondstoffen. En je vraagt je af of we de klimaatdoelen wel zullen halen. Dat is allemaal treurig nieuws. Schrijf ook eens over wat wij zelf kunnen doen om klimaatverandering tegen te gaan of biodiversiteit te bevorderen.

Het is waar: we kunnen zelf ook het nodige doen aan de duurzaamheid in onze leefomgeving. Minder of geen vlees en zuivelprodukten, niet meer vliegen, minder autogebruik, een waterton in de tuin, afval scheiden, om maar een paar voorbeelden te noemen. En het is mooi om te zien dat er in ons dorp de afgelopen jaren door groepjes inwoners allerlei initiatieven zijn genomen. Zo zijn op enkele plekken bewoners overgegaan tot gezamenlijk investeren in zonnepanelen of in een alternatief voor gasverwarming. Een gemeenschappelijke buurtmoestuin op een onbenut stukje grond is ook al gesignaleerd. Er is ook steeds meer aandacht voor hergebruik van spullen. Zo bestaat er een kleding-ketting, waaraan ruim vijftig vrouwen deelnemen die hun kleding met elkaar ruilen. Ik zie her en der boekenkastjes langs de stoeprand of in de voortuin, en in het centrum is een repaircafé. Al die initiatieven spreken mij aan. We hebben kringloopwinkels in het dorp gehad, hopelijk komen die weer terug.

Maar daar redden we het niet mee. Er moet veel meer gebeuren. Ook het bedrijfsleven moet aktief meedoen. Er zijn al wel bedrijven, en hun aantal neemt toe, die serieus werk maken van duurzaamheid. Maar bij met name de grote bedrijven worden nog nauwelijks resultaten geboekt en laat ook de deskundigheid op dit gebied te wensen over. Ik denk ook, dat de overheid het bij de bevordering van de duurzaamheid over een andere boeg moet gooien. Nu worden veelal afspraken met het bedrijfsleven en maatschappelijke partners gemaakt op vrijwillige basis, om zo partijen in de samenleving te stimuleren. Maar vrijwillig is in de praktijk vaak vrijblijvend. Om betere resultaten te bereiken moet de overheid ook dwingende maatregelen nemen. Die zijn niet populair, maar zonder dwang schiet het niet op.

Klimaatverandering kan risico’s meebrengen voor woningeigenaren

Door de klimaatverandering ontstaan vaker extreme weersomstandigheden, zoals hevige regen en periodes van droogte en hitte. Dit kan leiden tot overstromingen en aantasting van funderingen van huizen. Volgens de Autoriteit Financiële Markten (AFM) kunnen deze risico’s grote financiële gevolgen hebben voor woningeigenaren.

Risico’s in de vorm van schadeposten, maar ook van een lagere marktwaarde van woningen. Dit schrijft de AFM in haar rapport “Inprijzen klimaatrisico’s op de woningmarkt”. Funderingsschade is niet te verzekeren, en overstromingsschade meestal ook niet. Kosten voor het verhelpen van dergelijke schade moet dus door de woningeigenaren zelf gedragen worden. Het is van belang, aldus het AFM-rapport, dat woningprijzen deze risico’s weerspiegelen.

Funderings- en overstromingsrisico’s zijn niet ingeprijsd, d.w.z. ze maken geen deel uit van de waardebepaling van woningen. Redenen: kopers staan er niet bij stil, verkopers zijn niet verplicht hier informatie over te geven, en er zijn vaak geen betrouwbare gegevens over de risico’s beschikbaar. Als met die risico’s geen rekening wordt gehouden, betaalt de koper mogelijk te veel voor de woning en is de leensom wellicht te hoog. Als de risico’s later bekend worden, kan de waarde van de woning dalen, en daarme het vermogen van de koper. Ook kan het gebeuren, dat de huiseigenaar het herstellen van ontstane schade niet kan betalen, en dan moet het huis wellicht met verlies verkocht worden.

De AFM pleit voor het inprijzen van de risico’s. Daarmee wordt de woonprijs reëler en wordt de eigenaar niet plotseling met een grote waardedaling van het huis geconfronteerd. Bovendien, als je je huis verkoopt nadat je lange tijd eigenaar bent geweest, dan zal de opgebouwde prijsstijging over de afgelopen jaren meer zijn dan de prijscorrectie door ontstane schade. En funderings- en overstromingsrisico’s worden met de jaren alleen maar groter.

Deze risico’s moeten dan ook deel gaan uitmaken van het woningkooptraject. Informatie hierover zou van meet af aan bekend moeten zijn bij woningkopers, zodat ze weloverwogen kunnen beslissen over de koop. Daarnaast moeten, aldus de AFM, kopers genoeg financieringsruimte hebben voor investeringen om klimaatrisico’s te verkleinen of schade te herstellen. Hiervoor is nodig dat er op een consistente manier rekening wordt gehouden met deze kosten bij het vaststellen van het maximale hypotheekbedrag.

De klimaatverandering gaat nog vele jaren door

In de nieuwe klimaatscenario’s die het KNMI eerder deze maand heeft gepubliceerd kunnen we lezen, dat de klimaatverandering in Nederland nog vele decennia zal aanhouden. Het kan erger of minder erg uitpakken, tegengaan gaat allang niet meer.

Ik woon op een steenworp afstand van basisschool De Vink. Tijdens het speelkwartier laten de kinderen graag van zich horen. Dat is altijd weer een prettig achtergrondgeluid. De jeugd heeft de toekomst, denk ik dan. Maar wat voor toekomst hebben ze eigenlijk? Beter gezegd: welke toekomst geven wij aan onze kinderen?

Het KNMI heeft eerder deze maand scenario’s gepubliceerd over de toekomstige ontwikkeling van ons klimaat, en het beeld is niet gunstig. De gemiddelde temperatuur en de hitte nemen toe, de winters worden natter, zomerbuien worden extremer, droogte neemt toe, en de zeespiegel stijgt. Dat dit alles staat te gebeuren, staat voor het KNMI eigenlijk wel vast. Maar in welke mate, dus hoe ernstig de situatie wordt, hangt van een paar factoren af. Het KNMI heeft daarvoor vier scenario’s opgesteld. De belangrijkste factor is de uitstoot van CO2. Als die hoog blijft, krijgen we op alle fronten kans op extreme gevolgen. Als we de uitstoot van CO2 omlaag krijgen, blijven de gevolgen beperkt. Binnen deze twee scenario’s onderscheidt het KNMI weer twee mogelijkheden. Als we een verdrogend klimaat tegemoet gaan, zijn de winters minder nat en de buien in de zomer minder erg; wordt ons klimaat alsmaar natter, dan zal de droogte minder erg worden. In het hoge uitstoot scenario neemt de CO2-uitstoot tot 2080 sterk toe en vlakt daarna af. De mondiale opwarming zal dan ± 4,9 graden zijn ten opzichte van eind negentiende eeuw. Als we de uitstoot van CO2 snel weten te verminderen, in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs, blijven de gevolgen beperkt. De mondiale opwarming rond 2100 zal dan ± 1,7 graden zijn.

Wat het meest waarschijnlijke scenario is valt niet te zeggen. Dat hangt vooral af van onze gezamenlijke, wereldwijde inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Als we onze kinderen een leefbare toekomst willen bieden, zullen we haast moeten maken.