Wat heeft u gestemd?

Als ik dit schrijf (23 oktober) zijn we zes dagen verwijderd van de verkiezingen. Ik weet al wat ik ga stemmen. Hetzelfde als in de afgelopen jaren. Ik lees dat een groot deel van de kiezers pas in de laatste dagen voor de verkiezingen een keus maakt, soms zelfs pas in het stemhokje.

Ik niet. Ik ben geen zwevende kiezer. Hoewel, ik zweef een beetje tussen hoop en vrees. De hoop, dat de nieuwe coalitie de volle aandacht geeft aan de gevolgen van de klimaatverandering en het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, en de vrees dat de inspanningen op dat gebied achterblijven. Vorige maand berichtte het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat we in Nederland de doelstelling om in 2030 55% minder broeikasgassen uit te stoten waarschijnlijk niet gaan halen. En die 55% is een tussenstap. In 2050 moet Nederland klimaatneutraal zijn. Dat is wettelijk vastgelegd, en gebaseerd op internationale afspraken. Klimaatneutraal betekent, dat de netto uitstoot van broeikasgassen 0% is, d.w.z. wat er dan nog aan uitstoot overblijft moet gecompenseerd worden door meer bossen aan te leggen of methodes voor CO2-opslag te ontwikkelen. Om de uitstoot terug te dringen moeten we op andere energiebronnen overstappen, zoals windenergie. Helaas blijft de bouw van windparken op de Noordzee achter bij de oorspronkelijke planningen. Het kabinet heeft eerder dit jaar laten weten, dat de ambitie voor windparken op zee in 2040 flink is verlaagd. Dat draagt eraan bij, dat we de gestelde klimaatdoelen waarschijnlijk niet zullen halen. En dan nog iets: bijna 80% van ons energiegebruik komt uit het buitenland. Toen we nog Gronings gas gebruikten was dat onder de 70%. Dat niveau halen we wel weer in 2030. Maar als we nog minder van het buitenland afhankelijk willen worden, moeten we onze ambitie juist weer opschroeven.

Als u dit leest zijn de verkiezingen geweest. Mag ik hopen, of moet ik vrezen?

Hoe houd ik mijn huis warm?

Onlangs raakte ik verzeild in een discussie met collega’s over de plannen van het gemeentebestuur om ons dorp op een collectief warmtenet aan te sluiten: Warmtelinq. De discussie ging allerlei kanten op, en het viel mij op, dat sommigen helemaal niet zaten te wachten op dat warmtenet en een voorkeur hadden voor andere oplossingen.

Afgelopen najaar gaf mijn CV-ketel de geest, na 19 jaar trouwe dienst. Ik moest dus een beslissing nemen over de verwarming van ons huis. Nederland gaat van het gas af, dus ik zou kunnen doen wat veel mensen al hebben gedaan: overstappen op een andere warmtebron en een warmtepomp gebruiken of electrische verwarming. We koken trouwens al 20 jaar niet meer op gas, dus dat was al geregeld. Nu de rest van het huis nog.

Ik ben een voorstander van het aansluiten van het dorp op Warmtelinq. Ik vind dat we nutsvoorzieningen in principe collectief moeten regelen en dat de overheid hierin een sturende rol moet hebben. Maar in de plannen van de gemeente las ik, dat aansluiting op het warmtenet in ons dorp op zijn vroegst in 2030 klaar is. En planningen van grote projecten lopen altijd uit, is mijn ervaring. Dus het huis aansluiten op het warmtenet zit er voorlopig niet in.

Dus dan toch maar een warmtepomp laten installeren? Dat gaat tegen mijn principe in. Hoe meer huishoudens hun eigen individuele keuzes maken in hun energievoorziening, hoe minder zinvol het wordt om een warmtenet aan te leggen. Bovendien heb ik van bezitters van een warmtepomp gehoord, dat zo’n apparaat behoorlijk wat geluidoverlast geeft. En daar zit ik ook niet op te wachten. Ik heb dus een nieuwe gasketel laten installeren. Dan kan ik tenminste vooruit tot het moment dat de warmtenet-monteur voor de deur staat.

Hoe radicaal is de VVD?

Eind oktober zijn er verkiezingen voor de Tweede Kamer en daarna moet er uiteraard een kabinet worden geformeerd. De PVV mag waarschijnlijk niet meer meedoen, BBB zakt weg, en NSC heeft bijna geen kiezers meer. Een linkse meerderheid mag van mij, maar ik reken er niet op. Een coalitie tussen links en rechts dan maar? GroenLinks-PvdA en VVD samen in een kabinet? Zou dat lukken? Voor mij reden om eens na te gaan wat de VVD eigenlijk wil.

In april publiceerde de VVD een plan voor een sterke en weerbare economie, getiteld “Radicaal kiezen voor groei”. Het document begint met een schets van de economische ontwikkelingen in de wereld. China is een totalitaire macht en een wereldeconomie geworden. Rusland laat een zorgelijke expansiedrift zien. De VS legt forse handelstarieven op en stelt niet altijd het belang van democratie voorop. Europa moet dus een eigen koers gaan varen en zijn economische weerbaarheid versterken. We zijn te afhankelijk van die grote drie. Europa is een speelbal van politieke keuzes die in andere landen worden gemaakt.

Het is daarom absolute noodzaak dat we kiezen voor een groeiende economie en voor het maken van eigen Europese producten in cruciale sectoren. Die groei, dat verdienvermogen, schept de ruimte om direct te investeren in onze defensie en onze defensie-industrie, maar zorgt er ook voor dat we op andere prioriteiten meer kunnen investeren zonder de belastingen te verhogen. Mensen houden bovendien door groei meer geld over in de portemonnee. Economische groei is de motor achter de vrijheid van het individu: het biedt meer keuzemogelijkheden, zelfbeschikking en sociale mobiliteit. Daarnaast stimuleert het innovatie en financiert het onze welvaart en verzorgingsstaat. We moeten er daarom fundamenteel voor kiezen om ondernemen in Nederland aantrekkelijk te maken, om werken te laten lonen en om daarmee bedrijven in Nederland te houden.

En ook:

“Economische groei maakt ons simpelweg sterker en weerbaarder.”

Het klinkt te mooi om waar te zijn. Is het echt zo simpel?

Een groot deel van de politiek lijkt het belang van groei sowieso compleet uit het oog te zijn verloren. Economische groei wordt als iets vies of iets slechts gezien. ‘Degrowth’ is het begrip dat men probeert mainstream te maken. Een romantisch, maar naïef idee dat de klok terug wil draaien naar een samenleving van schaarste, met weinig tot geen perspectief op vooruitgang.”

Dit citaat is een mooi voorbeeld van wat we tegenwoordig framing noemen. Degrowth is een weinig gebruikt begrip, en zal ook niet gauw mainstream worden. En hier staat ook, dat linkse types de tijd willen terugdraaien en geen vooruitgang willen. Wat ik zie is dat de VVD een oud verhaal weer wil oppoetsen. De VVD wil vasthouden aan een groeimodel dat inmiddels zoveel nadelen heeft laten zien, dat het dringend aan revisie toe is. Een halve eeuw geleden verscheen het beroemde MIT-rapport “Grenzen aan de groei”. In de decennia daarna is voor dit thema steeds meer aandacht gekomen, en wordt er gezocht naar andere economische benaderingen. Vindt de VVD dat er grenzen zijn aan de groei? Heeft de VVD oog voor de uitputting van de grondstoffen die een direct gevolg is van ongebreidelde groei? En heeft de radicale groei wellicht ook iets te maken met de groeiende ongelijkheid in de wereld? Ik denk van wel, maar bij de VVD hoef je daar niet mee aan te komen.

Het moet echt klaar zijn met de blinde fixatie van een meerderheid van de Nederlandse politiek op herverdeling. Het gesprek moet gaan over groei. Het moet klaar zijn met alleen maar meer belasting willen heffen, meer regels verzinnen en meer rapportageverplichtingen eisen. Ondernemers die bereid zijn risico te lopen en banen te creëren worden zo tegengewerkt, klein gehouden en weggezet als profiteurs.”

Wat ik lees in dit VVD-plan is niet alleen, dat economische groei een must is, maar ook dat alleen het bedrijfsleven daar voor kan zorgen. En het bedrijfsleven, dat zijn de ondernemers. Als die nou maar ruim baan krijgen, minder belasting, minder regels, minder verantwoording afleggen, dan profiteert iedereen in Nederland daarvan. Naar mijn idee een zeer eenzijdig verhaal, een beperkte visie, met een ondertoon van boosheid en frustratie.

De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie noemt zich een volkspartij, maar is in feite een belangengroep, een ondernemersvereniging. Weliswaar bevat dit VVD-plan niet alles wat de VVD vindt, het is ook niet hun partijprogramma. Maar het staat wel erg ver af van waar GroenLinks-PvdA voor staat. Kunnen wij daar vruchtbaar mee samenwerken om problemen in Nederland aan te pakken? Ik moet het nog zien.

Meer dialoog tussen overheid en samenleving is goed voor de leefomgeving

We hebben in Nederland een nijpend woningtekort, een te hoge uitstoot van CO2, schadelijke effecten van de landbouw op het milieu, slechte waterkwaliteit, om maar enkele grote problemen te noemen. Al vele jaren werken achtereenvolgende kabinetten aan de oplossing van deze problemen, maar de problemen duren voort. Hoe komt dat?

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft zich hierover gebogen in zijn recent verschenen rapport “Falen en opstaan”. De raad gaat uit van de waarneming, dat in ons bestel drie spelers verantwoordelijkheid dragen voor de collectieve belangen in de leefomgeving: overheid, bedrijfsleven en “gemeenschappen”, d.w.z. burgers die zich in georganiseerd verband inzetten voor een bepaald doel, bijvoorbeeld wooncoöperaties, coöperaties op het gebied van de landbouw, of buurtbussen.

In het samenspel tussen die drie spelers is de afgelopen decennia het zwaartepunt komen te liggen bij de overheid en het bedrijfsleven. De overheid is steeds bedrijfsmatiger gaan werken. Daarbij kwam de nadruk te liggen op het belang van een goed draaiende economie, groei van het bbp en de koopkrachtcijfers. Dat was goed voor de bedrijvigheid en de welvaart, maar schadelijk voor milieu, water-, lucht- en bodemkwaliteit. “Door het eenzijdig samenspel tussen overheid en bedrijfsleven zijn de collectieve belangen in de leefomgeving verwaarloosd”, aldus de Rli.

Overheid, bedrijfsleven en gemeenschappen hebben verschillende waarden over wat zij belangrijk vinden voor de leefomgeving. Zij zouden met elkaar in gesprek moeten gaan over die waarden en waarom zij daar belang aan hechten. Het is belangrijk dat inzichtelijk wordt wat de consequenties zijn van het benadrukken van de ene waarde ten opzichte van de andere, en hoe de keuze van de ene waarde ten koste kan gaan van de andere. Niet om overeenstemming te bereiken, maar om informatie en begrip over elkaars waarden en belangen te delen, aldus de Rli. Dat komt de leefomgeving ten goede.